Vrijheid, GELIJKHEID, broederschap

Het Storytelling Centre doet zijn werk vanuit het geloof dat het in een evenwichtige (cultureel) diverse samenleving van levensbelang is dat er ruimte is voor ieders verhaal. In een veranderende maatschappij zien wij het als een noodzaak om een podium te bieden voor al die verhalen, in het theater en daarbuiten, en mensen door middel van verhalen te verbinden. Dat is onze drijfveer.

Mooi he, zoals we dat twee jaar geleden in ons beleidsplan schreven? Ieder verhaal moet verteld (kunnen) worden. Dat is nog steeds iets waar ik me dag en nacht hard voor maak. Maar de laatste tijd bekruipt me steeds vaker een ongemakkelijk gevoel. Wie ben ik die vindt dat er voor elk verhaal een plek moet zijn?

Ik ben namelijk een witte geprivilegieerde man. En samen met mijn witte geprivilegieerde mede-broeders en zusters zullen we de wereld weleens even laten weten hoe die een stuk beter kan worden. Daar waren we namelijk altijd al goed in. Vanaf de tijden dat we de wereld stukje bij beetje kolonialiseerden, hebben wij de waarheid in pacht. Wij weten wat goed is voor deze aardkloot en wat niet.

Het is gek dat ik me dat heel lang onvoldoende besefte. Of misschien is dat helemaal niet gek. Je zit immers lekker in je eigen bubbel, met gelijkgestemden en zo nu en dan een gast die je vol enthousiasme toelaat tot je kringen. Onder het motto: kijk eens hoe open wij zijn en hoe welkom iedereen bij ons is! En die bubbel werd ook op mijn buitenlandse (werk)reizen lekker in stand gehouden. Jij bent immers de westerling, die meestal het geld inbrengt. Dus waarom zou je als partner die bubbel doorprikken met het gevaar dat je dan je geldschieter kwijtraakt?

En het was heel comfortabel in die bubbel, dat zeker.

Een maand geleden zat ik in een nogal dorre tuin van een klein cultureel centrum in een middelgrote Palestijnse stad. Het was avond en nog aangenaam zwoel, er scharrelde wat kippen rond en we vertelden over een nieuw project. We dachten makkelijk de handen ervoor op elkaar te krijgen want we werkten hier eerder, ergens eind van de zomer. Wat hadden we het toen leuk samen.

We kwamen van een koude kermis thuis. Het project dat we presenteerden was immers een samenwerking met Israëli, de vijand. Dat dat lastig zou liggen wisten we, maar dat dit meteen de sfeer zou verkillen en het gesprek zou beëindigen viel ons rauw op ons dak. Uiteindelijk wisten we het ijs wel weer een beetje te breken; we gingen samen burgers eten en sloegen nog een illegale fles sterke drank achterover. Maar tot zaken kwam het niet meer. De deur van samenwerking was met een harde klap achter ons dichtgeslagen.

We mochten nog wel blijven slapen overigens. En ’s nachts lag ik te woelen in mijn geïmproviseerde bedje met te korte dekentjes. Waren wij naïef geweest?

Ik weet niet of naïef het goede woord is. Ik denk dat ik een beetje verblind was door het witte geprivilegieerde man-zijn. Wij weten wat goed voor je is! Dus wij hebben een mooi programma voor je waarmee je door middel van verhalen meer begrip kunt opbrengen voor je vijand. En wie weet worden jullie wel vrienden…..

Hoe dom kon ik zijn om daarin te geloven.

Het heeft mij eens te meer doen inzien hoe belangrijk gelijkheid is, echte gelijkheid. In het bovenstaande geval was er geen sprake van gelijkheid. Wij kwamen onze ideeën opleggen. Want wij wisten zogenaamd wat goed voor hen was.

En helaas kom ik dat iets te vaak tegen, ook in de storytelling wereld. Vertellers, vaak lekker wit en Europees, komen de wereld redden. We storten ons op vluchtelingen, migranten, bejaarden en iedereen anders die het zwaar heeft. Want zielige mensen moeten geholpen worden. Maar ondertussen denken we onvoldoende na over of we dat doen vanuit een volstrekte gelijkheid of dat wij onszelf zo goed en belangrijk vinden dat er een disbalans ontstaat, die ervoor zorgt dat we eerder meer schade berokkenen dan werkelijk iets bijdragen.

Ik besef me dat ik me daar ook schuldig aan maak. Tegelijkertijd besef ik me dat ik mijn witte geprivilegieerd-zijn niet kan ontkennen, noch afschudden.

Het ervan bewust zijn is wellicht voldoende om te voorkomen dat ik opnieuw in de valkuil van dominante wereldverbeteraar stap. En ik hoop dat ook anderen dat bewustzijn hebben en we ophouden om in vluchtelingenkampen rondom Syria in onze eigen taal te gaan vertellen terwijl we een vertaler nodig hebben om de kinderen daar te bereiken. Om maar een praktijkvoorbeeld te noemen.

We kunnen wel iets anders doen. We kunnen collega’s ondersteunen, door onze ervaringen met hen te delen en hun te vragen om hun ervaringen met ons te delen. Op basis van wederzijds respect en gelijkwaardigheid. Ga naar vluchtelingenkampen om mensen daar te ondersteunen in het vertellen van hun verhalen. Train jongerenwerkers in het gebruik van verhalen in hun eigen communities. En leer van hen, om dat weer in je eigen lokale werk in te zetten. All over the world.

Ik typ dit terwijl ik in een vliegtuig zit. We zijn weer op weg naar de Westbank. We hebben iets goed te maken. We gaan trainers trainen, die zelf in hun gemeenschappen aan het werk gaan. Ik hoop dat dat witte geprivilegieerde mannetje in mij dan soms even oprot; even om de hoek de toerist gaat uithangen. En als ie er dan toch is en over mijn schouder meekijkt. Let it be. Hij laat zich net zomin als ik en iedereen waarmee we werken in een hokje stoppen.