We geloven maar al te graag in sprookjes, zolang ze maar goed aflopen

Onze kennis van sprookjes is blijkbaar niet meer zo groot. Vaak gebruik ik in workshops het sprookje van Roodkapje en vraag ik of de deelnemers dat kunnen vertellen. Soms gaat het goed, maar vaak wandelen er opeens zeven geitjes binnen en laatst lag zelfs sneeuwwitje in haar glazen kistje in het huis van oma.

Als het sprookje wel weer in de herinnering teruggebracht is, hoor ik ook nogal eens: ‘wat een gruwelijk verhaal eigenlijk, het lieve kind wordt zo getraumatiseerd.’ Dan te bedenken dat de versie die ik gebruik – en die vaak als het origineel wordt gezien – die van de gebroeders Grimm is. De Disney’s avant la lettre noem ik ze wel eens gekscherend omdat ze bestaande sprookjes behoorlijk verzachtten en er niet zelden een happy end aan breiden. Hun versies zijn vaak sprookjes light in vergelijking met bekende eerdere versies. Zo komt Roodkapje in een honderd jaar oudere versie, opgetekend door de Fransman Charles Perrault, niet meer uit de buik. De arme meid sterft gewoon, net als haar grootmoeder. Zij leefden niet lang en gelukkig. Oeps, dat is niet wat we van een sprookje verwachten!

Nee, we zweren bij een goede afloop, zoals die ons in de moderne sprookjes wordt voorgeschoteld. Niet alleen in nieuwe versie van de bestaande verhalen, maar ook in de nieuwe sprookjes die we ontwikkelen. Dan heb ik het ook over de verhalen van recente koningen en koninginnen (denk aan Sissi) en zelfs aan de levensverhalen van bewonderde sterren. We smullen ervan en projecteren dat graag op ons eigen leven, waarin we ook streven naar een happy end. Niet mis mee om positief te denken, maar daarin schuilt ook een groot gevaar. Want het vasthouden aan een goede afloop kan onze mentale veerkracht ook afbreken op een moment dat het tegenzit. Ik licht dat graag toe

Laat ik beginnen aan te geven dat de goede afloop nog niet zo oud is. Ik gaf al aan dat oudere versies van bijvoorbeeld Roodkapje helemaal niet zo vreedzaam eindigen. Ook met de helden in de Griekse mythen loopt het zelden goed af. Herakles, de man die twaalf zware opdrachten uitvoerde om met zichzelf in het reine te komen, nadat hij – door toedoen van de jaloerse Godin Hera – in een vlaag van waanzin zijn kinderen doodde, komt zelf aan zijn einde door zichzelf in brand te steken. Theseus wordt na het volbrengen van zijn heldendaden gewoon van een rots de zee in geduwd en wordt niet gered door de God van de zee, Poseidon, over wie gefluisterd werd dat het zijn vader zou kunnen zijn.

Een wel heel mooi voorbeeld van een einde dat allesbehalve gelukkig is kwam ik tegen in een oud Japans verhaal[i]:

Lang geleden leefde er in het dorp Amoetsji in de provincie Yamato een zeer rijke familie. Hun familienaam was Kagamisoekoeri no Myatsoeko. Hun volwassen dochter heette kortweg Yorozoenoko, wat niets minder betekent dan ‘een kind uit duizenden’.

Het meisje was niet alleen buitengewoon knap, maar ook nog maagd. Geen wonder dus dat mannen van alle rangen en standen naar haar hand dongen, maar Yorozoenoko wees hen allen af. Of zij waren niet rijk genoeg, of er was wel iets op hun uiterlijk of hun gedrag aan te merken. De aanbidders sleten de houten trappen uit die naar de villa van de koopman voerden, maar zij keerden allemaal onverrichterzake terug. Zo verliepen er enige jaren en het begon erop te lijken dat Yorozoenoko ongetrouwd zou blijven.

Op een goede dag hield er een lange stoet stil voor het huis van de rijke koopman. Voorop reed een samoerai te paard, zo knap en fier van uiterlijk dat elk meisje op slag verliefd op hem zou worden. Achter hem volgde een aantal bedienden en drie wagens die waren volgeladen met de fijnste zijden stoffen en allerlei snuisterijen. Dit maakte ongetwijfeld indruk op Yorozoenoko’s vader die zich uitsloofde om zijn gast zo goed mogelijk te ontvangen. Wat zijn dochter zelf betrof, haar hart en haar zinnen raakten volkomen van streek bij het zien van deze indrukwekkende aanbidder. Het gevolg was dat Yorozoenoko, tot grote opluchting van haar vader, haar jawoord gaf.
De edele samoerai was een voortvarend type. Nog dezelfde avond legde hij zich met zijn toekomstige bruid te ruste.

Midden in de nacht hoorden de ouders hun dochter hartverscheurend kreunen en kermen.
“Dat heeft niets te betekenen,” zei de vader geruststellend tegen zijn vrouw. “Het kind heeft helemaal geen ervaring. Dat gaat allemaal wel weer over, heus, ik bezweer het je.”
De ouders sloegen er verder geen acht meer op en vielen in slaap.
De volgende ochtend werden zij later dan gewoonlijk wakker, maar er was nog niets te horen in de kamer van hun dochter. De moeder klopte aan de deur, maar kreeg geen antwoord. Zij klopte nog eens en nog eens, en opende toen de deur.

Vol ontzetting deinsde zij terug. De kamer was leeg en op het bed lagen alleen een paar vingers van Yorozoenoko. Dat was alles wat er nog van haar over was…
Even later kwam een bediende vertellen dat het paard van de gast verdwenen was en dat op de plaats waar het gestaan had alleen nog een bos stro lag. De prachtige zijden stoffen en de andere geschenken waren in dierenbeenderen veranderd. De wagens waren stukken stinkend wrakhout geworden.

De ouders deden hun rouwkleren aan en treurden nog lang om het verlies van hun enige dochter.

Laat je niet verblinden door macht en rijkdom; het gaat om innerlijke schoonheid en niet om uiterlijk vertoon. En doe je dat wel, dan geldt: boontje komt om zijn loontje. Die boodschap is duidelijk. Maar het is de vraag of we dit verhaal in het huidige tijdsgewricht nog wel willen horen of aan onze kinderen zouden voorlezen. We vinden het al gauw te gruwelijk. We leven in een tijd waarin traditionele verhalen nog net niet van een leeftijdsclassificatie worden voorzien en als dit Japanse sprookje ooit verfilmd zou worden dan wordt het misschien wel een 16+ productie, als de studio niet eist om er een ander eind aan de schrijven, zoals ze ook van Roald Dahl eisten bij het verfilmen van zijn kinderboek The Witches.

Ik ben er echter van overtuigd dat de hierboven beschreven ontwikkeling van het vertellen van verhalen parallel loopt met onze groeiende onmacht om met tegenslag en beproevingen om te gaan, zeker als ze niet gegarandeerd tot een beloning leiden. Zolang we onszelf in deze constructie gevangenhouden, heeft het weinig zin om echt met verhalen bezig te zijn. We houden ons in dat geval alleen maar voor de gek. Daarom pleit ik ook ervoor om weer actief in de rijkdom van het sprookjes repertoire te duiken en al die verhalen te blijven delen voor onze eigen (mentale) gezondheid.

[i] Bron: “Japanse sagen en verhalen” door M.A. Prick van Wely. Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1979. ISBN: 90-228-3346-1

 

Benieuwd hoe wij onze storytelling-methode inzetten in conflictgebieden of ter bevordering van sociale cohesie in de conflictgebieden? Kijk bij onze projecten of neem contact op.

Facebook
Twitter
LinkedIn

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *